Na deze training kun en ken jij:
De competentie leidinggeven heeft meerdere deelvaardigheden in zich. In hoofdgroepen zijn deze als volgt in te delen:
Als leider moet je dus van meerdere markten thuis zijn. Sommige deelvaardigheden van leidinggeven kun je aanleren, maar het leidinggeven moet je ook enigszins in het bloed zitten. Sommige aspecten moet je als leider van moeder natuur hebben meegekregen. De twee essentiële vragen zijn daarom:
Het antwoord op deze vragen is niet zo eenvoudig. Er zijn mensen die beweren dat alles aan te leren is en er zijn ook mensen die vinden dat je bepaalde persoonseigenschappen simpelweg niet aan kunt leren. Hoe wil je bijvoorbeeld iemand aanleren zijn/haar empatisch vermogen te vergroten?
De waarheid ligt zoals zo vaak in het midden. Over het algemeen kun je zeggen dat van de drie facetten van een competentie (kennis, vaardigheden en houding), er twee goed aan te leren zijn. Het gaat hier dan om de facetten kennis en vaardigheden. Bij het facet “houding” wordt het al een stuk ingewikkelder. Hier komen de persoonseigenschappen om de hoek kijken. Bij dit facet leer je vooral door vorming, ervaring en training. Kenmerkend is dat het
leren in dit geval bijna geheel door de persoon zelf gebeurt.
Deze eigenschappen vormen de basis van het succes als leider. Daarnaast zijn er een aantal specifieke vaardigheden van de leider te benoemen. Een leider moet:
Deze aspecten zijn bij de leidinggevende vastgelegd in zijn/haar grondhouding.
De grondhouding is een sterke en stabiele attitude (= basis/grondhouding). Wie en/of wat ben je? Wat zijn je waarden en normen en hoe ben je gevormd? De attitude is de basis voor de leidinggevende. De definitie in dit kader luidt als volgt:
Attitude is een duurzame ordening van gevoelens, kennis en beweegredenen met betrekking tot het leidinggeven.
Bij het leidinggeven en omgaan met mensen komen onder andere de volgende taken aan de orde:
Een samenwerkend team vormen.
Mensen zijn niet hetzelfde en dus leiders ook niet. Leiders hanteren van nature een eigen stijl. Zo is de ene leider bijvoorbeeld erg direct en zal een ander graag minder confronterend over willen komen. Er zijn leiders die alles graag zelf willen doen en beslissen en zo zijn er ook leiders die graag overleg hebben met hun ondergeschikten. Gedrag dat gebaseerd is op hun karakter, hun waarden en normen. Over het algemeen zijn de verschillende typen leiders onder te verdelen in de volgende categorieën:
De autoritaire leider is de zogenaamde alleenheerser. Hij/zij wil dat alles op zijn/haar manier wordt gedaan, want dat is immers de enige juiste weg. Deze leider stelt zich in feite boven de rest en heerst vanaf zijn/haar troon. Deze leiders zijn vaak erg sterk in duidelijkheid, maar weten mensen vaak minder goed te motiveren. Ook het acceptatieniveau van deze leiders laat wel eens te wensen over. Sterk in charisma en overtuigingskracht, maar minder sterk op het sociale vlak.
Deze leider wordt ook wel de vaderfiguur genoemd. Hij/zij heeft een enorme zorgdrang voor zijn/haar mensen en voelt zich sterk verantwoordelijk voor zijn/haar mensen. Deze leider kenmerkt zich ook door zijn/haar opvoedkundige houding.
Deze leider wil alles in overleg en in harmonie doen. “Samen zullen we deze klus wel klaren”, is een veel gemaakte uitspraak van dit soort leiders. Ze hebben vaak een hoog acceptatieniveau, maar missen daarentegen ook daadkracht en aanzicht.
De situationeel leider is in staat zijn leiderschapsgedrag aan te passen aan de situatie.Hij/zij speelt met de verschillende stijlen. Elke situatie vergt volgens hem/haar een andere aanpak en de situationeel leider weet hier goed op in te spelen. Deze stijl van leidinggeven is erg effectieve vorm en daarom zullen we deze stijl eens nader onder de loep nemen.
Het kernprobleem van effectieve leiders bestaat uit het vinden van juist evenwicht tussen twee typen vereisten: aandacht voor de taak en aandacht voor het team.
Er zijn meerdere combinatiemogelijkheden van taakgericht en relatiegericht leidinggeven. Dit zal resulteren in vier leiderschapsstijlen. Welke daarvan het meest effectief is, hangt in belangrijke mate af van de situatie.
De leidinggevende zal soms de nadruk leggen op taakgerichtheid (T) en in andere situaties meer op relatiegerichtheid (R). Zowel op de ene dimensie als op de andere dimensie kan inzet hoog of laag zijn. Dit hoog of laag zijn op taakgerichtheid, staat los van de mogelijkheid van hoog of laag zijn op relatiegerichtheid en vice versa. De combinaties van taakgerichtheid en relatiegerichtheid worden hieronder weergegeven.
Hoog relatiegericht, laag taakgericht (3):
Een voorbeeld van dit kwadrant is bijvoorbeeld Coachen. Het coachen van medewerkers is vooral gericht op de relatie die de leidinggevende heeft met zijn/haar medewerker en minder op de taak.
Ook stimuleren van de medewerker behoort tot dit kwadrant.
Hoog relatiegericht, hoog taakgericht (1):
Voorbeelden hiervan zijn verkopen en motiveren. Motiveren van medewerkers heeft een directe impact op de relatie en op het resultaat van de taak. In dit kwadrant wordt er veel gedaan aan de onderlinge relatie, maar speelt ook de taak op zich een belangrijke rol.
Laag relatiegericht, hoog taakgericht (2):
Instrueren en vertellen zijn hier voorbeelden van. De relatie is minder belangrijk en het gaat vooral om de taak en de uitvoering.
Laag relatiegericht, laag taakgericht (4):
Voorbeelden van dit kwadrant zijn controleren en delegeren. Er wordt nauwelijks aandacht besteed aan de onderlinge relatie en de directe invloed op de taak is ook minimaal.
De leidinggevende vertelt hoe en waar de medewerker de taken moet vervullen. Dit is duidelijk een vorm van eenrichtingsverkeer. De leidinggevende communiceert naar de medewerker.
Andere kenmerken:
De leidinggevende geeft richting aan en blijft de taakuitoefening nauwkeurig volgen, maar probeert een (beperkte) vorm van tweerichtingsverkeer te realiseren. De chef geeft uitleg over beslissingen, vraagt suggesties en motiveert de medewerker door de bedoelingen te laten zien.
Andere kenmerken:
Belangrijkste verschillen met andere leiderschapsstijlen:
De leidinggevende bevordert en ondersteunt de medewerkers bij de uitoefening van hun taak door hen zoveel mogelijk ruimte, informatie en verantwoordelijkheid te geven. Problemen worden opgelost en beslissingen worden in overleg genomen.
Andere kenmerken:
Belangrijkste verschillen met andere leiderschapsstijlen:
De leidinggevende geeft het doel of het te behalen resultaat van de taak aan, maar de medewerkers moeten deze geheel zelfstandig vervullen. De medewerker achterhaalt zelf de problemen en de oplossingen van deze problemen.
Andere kenmerken:
Belangrijkste verschillen met andere leiderschapsstijlen:
Medewerker heeft veel eigen verantwoordelijkheid
Er is niet één leiderschapsstijl, die onder alle omstandigheden de juiste is. Vaak werkt u met een aantal verschillende stijlen door elkaar. Hierboven is al weergegeven wat de kenmerken zijn van de verschillende stijlen, maar er zijn ook duidelijke verschillen in leiderschapsstijlen. Er is altijd een stijl van leidinggeven die u vaker gebruikt en het meest bij u past. Om erachter te komen welke stijl dit is kunt u de vragenlijst invullen.
Effectief leidinggeven betekent dat u uw stijl van leidinggeven aanpast aan een situatie. In de ene situatie kan een stijl effectief zijn, terwijl die in de andere situatie geen effect heeft. Effectief leidinggeven houdt in dat u als leidinggevende in staat bent, naast de leiderschapsstijl die u gewoonlijk hanteert, ook andere stijlen te hanteren. Effectief leidinggeven vraagt dus een flexibele opstelling van u. Deze stijl van leidinggeven heet Situationeel leidinggeven. De effectiviteit wordt bepaald door twee factoren:
De taakbekwaamheid is de mate waarin de medewerker in staat is om de taak goed uit te voeren. Hierbij wordt gekeken naar de kennis en vaardigheid motivatie en verantwoordelijkheidsgevoel van de medewerker.
Er worden vier niveaus van taakbekwaamheid onderscheiden:
Een goede leidinggevende past zijn stijl van leidinggeven aan, aan de taakbekwaamheid van de medewerker. Als u uw stijl van leidinggeven niet kunt aanpassen aan de situatie, bereikt u niet het gewenste resultaat. Een verkeerde stijl kan negatief worden ervaren waardoor de medewerkers slechter kunnen gaan presteren in plaats van beter presteren, waardoor de relatie tussen jou en je medewerker kan verslechteren.
|
Taakbekwaamheidsniveau |
Actie |
Leiderschapsstijl |
|
Onbekwaam, ongemotiveerd |
Veel sturing, weinig ondersteuning |
Directieve stijl |
|
Onbekwaam, gemotiveerd |
Veel sturing, veel ondersteuning |
Overtuigende stijl |
|
Bekwaam, ongemotiveerd |
Weinig sturing, veel ondersteuning |
Participerende stijl |
|
Bekwaam, gemotiveerd |
Weinig sturing, weinig ondersteuning |
Delegerende stijl |
Elke werksituatie is anders en vraagt een andere manier van leidinggeven. Welke stijl van leidinggeven je het beste kunt gebruiken is afhankelijk van:
Een goede leidinggevende past zijn stijl van leidinggeven aan, aan de werksituatie. In het volgende schema ziet u welke leiderschapsstijl past bij welke werksituatie
|
Werksituatie |
Effectieve leiderschapsstijl |
|
Er is veel interactie nodig voor een taak of |
Overtuigende stijl of |
|
Er is weinig interactie nodig voor een taak of |
Directieve stijl of |
Een leider dient ten aanzien van situationeel leiderschap de volgende stappen uit te voeren:
In deze situatie gaat de leider dus niet uit van zijn/haar eigen uitgangspunten, maar van die van de medewerker. Dit zal een hoge acceptatie opleveren en onder andere daardoor zal de effectiviteit van het leiderschap stijgen tot het gewenste niveau. Het uiteindelijke doel is immers het competentieniveau van de medewerker omhoog te schroeven. De methode is het middel om tot dit doel te komen.
|
Fase van groepsontwikkeling |
0 Voorfase |
I Beginfase |
II Middenfase |
III Autonome groep |
IV Afsluitingsfase |
|
Leiderschapsstijl |
Directief |
Directief, overtuigend
|
Overtuigend, participerend |
Participerend, delegerend |
Overtuigend, delegerend |
|
4 |
3 |
2 |
1 |
|
Excellent |
Normaal |
Matig |
Laag |
Deze tabel roept uiteraard de volgende vraag op:
“Hoe krijg je een medewerker op een hoger niveau?”
Het antwoord op deze is te verkrijgen door naar de inhoudelijke competentie te kijken en daarbij de juiste ontwikkelingmethode te ontdekken. In hoofdlijnen zijn de volgende ontwikkelingsgraden te onderscheiden:
|
Het kunnen uitvoeren van een taak. |
Kennis en vaardigheid |
|
Het durven uitvoeren van een taak. |
Zelfvertrouwen en eigenwaarde |
|
Het willen uitvoeren van een taak. |
Ontwikkelen van bereidheid |
Voor het koppelen van de juiste leiderschapsstijl aan het competentieniveau zijn geen vaste regels. Toch kunnen we over het algemeen de volgende leiderschapsstijl koppelen aan het de volgende competentieniveaus:
|
Competentieniveau |
Leiderschapsstijl |
|
1
|
Directief |
|
2
|
Overtuigend |
|
3
|
Participatief |
|
4
|
Delegerend |
Ook het activiteitenschema van paragraaf 1.8.2 is op de competentieniveaus van toepassing:
|
Leiderschapsstijl |
Actie |
|
Directief
|
Veel sturing, weinig ondersteuning |
|
Overtuigend
|
Veel sturing, veel ondersteuning |
|
Participerend
|
Weinig sturing, veel ondersteuning |
|
Delegerend
|
Weinig sturing, weinig ondersteuning |
